2017_n2_br01

Stellenbosch Theological Journal 2017, Vol 3, No 2, 627–630

DOI: http://dx.doi.org/10.17570/stj.2017.v3n2.br01

Online ISSN 2413-9467 | Print ISSN 2413-9459

2017 © Pieter de Waal Neethling Trust

Reviewed by Frits de Lange

Die dood en die sin van die lewe is geen gewone academische studie. Het boek heeft een rijpingsgeschiedenis van twintig jaar achter zich, en is nadrukkelijk op een breder publiek gericht. Het is een persoonlijk, existentieel getuigenis, dat door zijn thematiek zo niet geschreven had kunnen worden door een beginnend, jong academicus. Je moet er levenservaring voor hebben, in dit geval: ervaring met de dood van anderen. Tegelijk is het een diepgravende, rijke filosofische studie die inzicht geeft in onze hedendaagse omgang met de dood en stelling neemt in het publieke debat over actieve levensbeëindiging.

De dood is in onze cultuur meer dan ooit een taboe: hij wijst ons op de grenzen van wat maakbaar en te beheersen is. ‘Das Man’ (Heidegger) denkt er liever niet over na. Maar denken, dat is nu eenmaal de roeping van de filosoof en van de mens die authentiek wil existeren. We moeten dan erkennen dat de dood het verzwegen, maar eigenlijke centrum van ons leven is. Zonder dood is ons leven zonder betekenis. ’niks focus ons aandag op hierdie misterie skerper as die konfrontasie met die eindigheid, die verganklikheid, die kontingensie daarvan, soos ons dit aantref in die dood nie’ (25). Van Niekerk neemt, anders dan de moderne filosofie die van de dood een oplosbaar probleem probeert te maken, het taboekarakter van de dood volstrekt serieus.

Het boek opent met persoonlijke ervaringen van de auteur met de dood van ouders en intieme vrienden. Een egodocument dat nergens het gevoel van voyeurisme geeft, omdat het herkenning oproept bij de lezer.

De angst voor dood is ons evolutionair eigen vanaf het moment dat de mensheid zelfbewustzijn ontwikkelt. Het heeft geen zin, stelt Van Niekerk in hoofdstuk 3, om de doodsvrees te ontkennen, het ‘Sein-zum-Tode’ (Heidegger) laat ons juist als authentiek mens existeren. Van Niekerk laat in een indringende analyse van Tolstoy’s De Dood van Ivan Illich zien hoe sterven een sociaal gebeuren is, waarbij het gedrag van de overlevenden de angst en eenzaamheid eerder vergroten dan doen afnemen: ‘Miskien is dit die mees radeloze aspek van terminale lyding: die besef dat, al kan jy dit self nie aanvaar nie, ander mense hulself dit aanmatig om dit namens jou te aanvaar’ (87).

In hoofdstuk 4 bespreekt Van Niekerk de vraag of er een leven na de dood is. Hoewel geen theoloog, is zijn ontleding van argumenten voor een hiernamaals verfrissend voor de kerk. Het idee van een nimmer eindigend voortbestaan is niet alleen filosofisch ondenkbaar maar ook onaantrekkelijk. De Platoonse idee van een onsterfelijke ziel heeft zich dieper genesteld dan de meer Bijbelse gedachte van een ’nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. Gelovigen zouden zich moeten richten op dit leven en wat hun persoonlijke voortbestaan betreft beter leven vanuit een niet-weten, etsi coelum non daretur.

Tegenover de moderne poging om de dood met behulp van wetenschap en technologie te ontmantelen, kiest Van Niekerk met Zygmunt Bauman in drie opeenvolgende hoofdstukken voor een postmoderne benadering. De dood is een mysterie. Een mysterie los je, anders dan een probleem of een raadsel, niet op, maar je neemt er aan deel. Het legt beslag op je. Het is tegelijk radicaal bekend én onbekend.

In de laatste drie hoofdstukken introduceert van Niekerk drie concepten waarmee wij ons tot het mysterie van de dood – dat tegelijk het mysterie van het leven is – kunnen leren verhouden. Hierin is het boek het meest oorspronkelijk. De dood is als de horizon van ons leven een tragedie die ons uitnodigt om van ons leven een uniek en samenhangend verhaal te maken. De metafoor van de horizon (altijd af- en aanwezig) drukt beeldend uit wat Heidegger bedoelde met zijn ‘Sein-zum-Tode’. Het tragische karakter van de dood zuivert ons zelfverstaan, zodeat we ons kunnen richten op ‘te probeer word wat ons hoop om te wees’. (212) De dood roept ons op tot een vorm van zelfverwerkelijking, een narratieve zoektocht naar persoonlijke integriteit. ‘[D]aar [is] slegs sin in die lewe as dit die uitkoms is van mense se poging om hul lewe te ontwerp en te leef as die uitwerk van ’n samenhangende storie.’ (278)

Op dit punt laat zich de vraag stellen of Van Niekerk toch niet uiteindelijk teveel blijft hangen in het modern subjectbegrip dat gericht is op (zelf)beheersing, waarvan hij zegt juist afscheid te willen nemen. Is leven in het aangezicht van de dood wel een project, een ontwerp dat zichzelf gaandeweg moet willen realiseren? Hoe kun je van daaruit nog komen tot ‘prysgawe van die sorg om eie heil en voorspoed’, en de ware levensvervulling vinden in dienstbaarheid aan andere mensen, waarmee van Niekerk het boek eindigt? Hoe verhoudt zich bij Van Niekerk en centripetale gericht zijn op persoonlijke integratie en samenhang met de centrifugale overgave aan het leven met en voor anderen? Wordt de notie van overgave als onvoorwaardelijke liefde voor vergankelijkheid in zijn benadering niet dialectisch van zijn radicaliteit beroofd?

Het voorlaatste hoofdstuk is een pleidooi voor Zuid-Afrikaanse wetgeving voor hulp bij zelfdoding (bystandsdood) en euthanasie (vrywillige aktiewe genadedood). Van Niekerk verwijst o.m. naar Nederland, waar sinds 2002 wetgeving van kracht is. Het valt mij op dat hij terminale ziekte noemt bij de criteria voor ‘bystandsdood’. Vandaaruit is het begrijpelijk dat hij terughoudend is over hulp bij zelfdoding bij geestesziekte, waar in Nederland eigenlijk geen rechtsgrond meer voor is omdat daar het criterium van terminaliteit ontbreekt. Tegelijk onderschrijft hij het recht op zelfdoding op basis van het principe van zelfbeschikking en suggereert dat hulp bij zelfdoding in het verlengde ligt van dat recht. ‘Recht op hulp bij zelfdoding’ maakt echter de autonomie van de patiënt tot basis van wetgeving en niet barmhartigheid voor zijn terminale lijden. Bij autonomie als grondslag zal uiteindelijk het subjectieve criterium van ondraaglijk lijden doorslaggevend zijn. Het zou goed zijn de Nederlandse wetgeving en jurisprudentie te evalueren met het oog op toekomstige wetgeving in Zuid-Afrika.

Refbacks

  • There are currently no refbacks.


Copyright (c) 2017 Pieter de Waal Neethling Trust, Stellenbosch

Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.


ISSN 2413-9467 (online); ISSN 2413-9459 (print)


© 2017 Pieter de Waal Neethling Trust, Stellenbosch.

No registration, article submission or processing fees apply.

This is an Open Access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License, which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original work is properly cited. 

SUMMARY: http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/ 
FULL: http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/legalcode

Powered by OJS.